Lambert Kleykens

Lambert-Kleykens-92258871_03_1Lambert Kleykens werd geboren in 1930, hetzelfde jaar waarin ook de Koninklijke Kunstkring Sint-Truiden (toen nog Kunstkring Sint-Truiden) het licht zag. Als jonge knaap groeide hij haast letterlijk „in de muziek. op. Het ouderlijke huis moet voor hem een wonderlijke muziekdoos geweest zijn dankzij de radio, die de wonderbaarlijkste composities uit lang vervlogen tijden liet weerklinken. Met de nieuwsgierigheid die de jeugd eigen is,
volgde hij gedurende enkele jaren de lessen zang en notenleer aan de muziekacademie in zijn eigen stad.

De muziekmicrobe zou hem nooit meer loslaten. Na het middelbaar onderwijs trok hij naar Gent voor zijn studies filosofie en, daarna, rechten. In 1958 behaalde hij zijn diploma, waarna hij meteen als advocaat aantrad. Zijn loopbaan in de advocatuur eindigde in 1976, toen hij het ambt van rechter in Hasselt aanvaardde. Na luttele jaren reeds verhuisde hij naar het vredegerecht van Sint-Truiden, waar hij tot zijn pensioen recht zou spreken.

In zijn Gentse periode had hij Lydie Vandercasteelen leren kennen, met wie hij trouwde het jaar nadat hij afstudeerde. Met zijn lieve vrouw zou hij meer dan 50 jaar in de echt verbonden blijven. Hun huwelijk was de veruitwendiging van een zeer innige, uitzonderlijk vreugdevolle en diepgewortelde relatie die het huwelijksgenot tot kunst verhief.

Rond 1985 begon Lambert Kleykens dan aan zijn legendarische reeks “Muziekavonden” voor het Davidsfonds en de Koninklijke Kunstkring. Een titel die eenvoudiger maar toch even veelomvattend was, kon hij niet bedenken. Hij koos er telkens voor om een zo breed mogelijk scala aan genres, stijlen, artiesten en componisten ten gehore te brengen én die meesterlijke melange desondanks in een helder verhaal te verenigen.

Misschien ligt het aan zijn voorkeur voor zuiverheid. Want zuiver moest de muziek klinken, waar ze ook werd „vertoond.. Daarom deed hij een beroep op Sylvain Tercaefs, een purist op technisch vlak. De muziekinstallatie stond op een podium, steunend op akoestisch verantwoorde ruwbouwstenen. Zowat een uur vooraf werd de installatie „gestemd., eerst in de lege trapeziumvormige doos die de Zoutkist vroeger was. En later op de avond, zelfs nog tijdens de voorstelling, werd er bijgeregeld tot de hoogst mogelijke perfectie.

Als een uitvoering van een klassieke compositie een interpretatie wordt genoemd, dan kunnen wij Lambert Kleykens. muziekavonden niet anders dan als interpretaties van klassieke muziek beschouwen. Hij deed veel meer dan muziek laten horen, veel meer ook dan het obligate praatje bij een plaatje verkopen. Hij dompelde de toehoorders onder in een wereld van vroeger. Je waande je als gast aan het koninklijk of adellijk hof, in een van de grote operatempels of waar dan ook. Als Lambert Kleykens sprak over componisten die in eenkoets Europa rondreisden, dan kon je de geur van de paarden opsnuiven.

Waar we Lambert Kleykens het meest dankbaar voor moeten zijn, is dat hij op een onklassieke, haast postmoderne wijze met de klassieke muziek omging. Hoewel hijzelf de grootste eerbied voor de muziek en de artiesten is blijven koesteren, schrok hij er niet voor terug om zijn publiek tegen de haren in te strijken, integendeel. Hij mengde de hoge en de lage cultuur met een kwinkslag, ontdeed de klassieke muziek van haar stoffig jasje, van het vertekenende vernis dat de tijd erop had gelegd. Ondanks het feit dat hij een broertje dood had aan die overdreven ernst, het bijna even klassieke decorum waarmee klassieke muziek
bejegend werd, nam hij de muziek zelf telkens uitermate ernstig. Als hij op een „muziekavond. een traan wegpinkte, was dat niet gespeeld. Dat was oprechte ontroering. Dat was wat de muziek voor hem betekende.

Klassiek dan weer was Lambert Kleykens in zijn vorming. Zijn intellectuele bagage was immens groot, zo groot dat hij die niet in ieder gesprek hoefde te etaleren. Zijn gesprekspartner moest ernaar vragen en dan nog liet hij maar een enkele vonk van zijn
kennisreservoir oplichten. Een gesprek met vrienden was voor hem op de eerste plaats beleefd (en doorleefd) amusement, een zwierige bezigheid van de geest, bezield door wat het hart hem ingaf. Iedere conversatie werd verpakt met flair, de flair die hem zelfs niet verliet wanneer hij boos werd om onrechtvaardigheid. Maar even snel keerde de monkelende blik terug om van achter die stiff upper lip weer met een staaltje van zijn tongue-in-cheek humor te riposteren.

Naast die 52 muziekavonden, zijn uurtjes op Radio Baccara en Trudo FM, vond hij nog de tijd om mee te werken aan enige grote concerten van de Koninklijke Kunstkring Sint- Truiden. Hij werkte mee aan de programmatie vooraf, aan de regie voor en tijdens de uitvoering en daarbovenop nam hij de volledige presentatie voor zijn rekening. Voor de voetlichten was hij steeds de aimabele, wat nonchalante muziekliefhebber, die in enkele, schijnbaar losse, zinnetjes de volgende artiest voorstelde; achter de doeken liep hij zenuwachtig rond, met zijn teksten in de hand, een ander oog op de artiesten op én achter het podium en ondertussen nog op alle details lettend, van het decor tot de kleding. Als geen ander besefte hij dat het geheim van de goede improvisatie de voorbereiding is.

De passie voor de muziek en de kunst in het algemeen heeft hem nooit verlaten. Wel, de kracht om diezelfde intensiteit op te brengen waarmee hij altijd zijn muziek kwam begeleiden, zijn publiek kwam plezieren en de magie van de diepere kunstbeleving wist op te wekken. In zekere zin wist hij zijn taak volbracht. Hij kon zich nu helemaal wijden aan het belangrijkste van het leven: zijn familie en zijn dierbaren. Ondanks zijn ziekte kwam echt het eenvoudigste op de eerste plaats. En waarschijnlijk zou hij van ons allen het liefst van al afscheid genomen hebben met de woorden: “Had-oech, joeng.”

Met dank aan Ludo Vandercasteelen en Paul Wilmots

 

Erik Vanlangendonck